Bij het straatvoetbal ging het er vooral om of je goed kon pingelen. De behendigheid om je tegenstanders op het verkeerde been te zetten, te passeren, en door de verdediging te slalommen stond in hoog aanzien bij de jongetjes in mijn straat. Het gaf je zoiets als een status. Bij het opraaien werd je dan vaak als eerste gekozen.
‘Opraaien’ was een klein protocol dat werd gebruikt om de partijen samen te stellen. In een groepje jongens dat wilde gaan voetballen op straat werden er twee aangewezen die op een paar meter afstand van elkaar moesten gaan staan en via een denkbeeldige lijn voetje voor voetje naar elkaar toe moesten lopen: om de beurt een stapje. Je hak moest steeds tegen je teen staan. Nadat ze elkaar tot op het uiterste genaderd waren, bleef er een opening waartussen geen hele schoen meer paste. Degene die het laatste stapje kon doen, was winnaar en mocht als eerste uit het groepje jongens, dat reikhalzend had meegekeken, een medespeler kiezen. Natuurlijk koos hij de beste speler. Daarna was de ander aan de beurt, en die koos dan de op één na beste speler, enzovoort. Zo kwamen de partijen tot stand. Heel vaak was het vier tegen vier of vijf tegen vijf.
En dan… de chaos van het straatvoetbal. Een betere manier om overtollige energie kwijt te raken was er niet. Veel spelregels en afspraken waren er ook niet. Halverwege de straat werd een hoopje kleren neergelegd: de afstand tot de stoeprand was het doel. De hiërarchie in vaardigheden was wel zo’n beetje bekend: de laagste in rang werd op doel gezet.
Soms werd er met een ‘vliegende kiep’ gespeeld. De doelverdediger was tegelijkertijd ook veldspeler. Schoten van afstand troffen dan vaak doel. Het regende trouwens meestal doelpunten bij het straatvoetbal. Niet zelden werd het 22-18, of 13-19. Je moeder was er niet echt blij mee, want je kwam soms met schaafwonden thuis en je trapte je schoenen kapot op de klinkers.
Aan de andere kant had ze op die manier geruime tijd geen last van je, want er werd vaak tot diep in de schemering doorgebuffeld, terwijl het geschreeuw tussen de gevels weerkaatste…
Soms, wanneer er weinig jongens op straat waren, deden we de variant: putten. Het doel was dan de putdeksel in de stoeprand. Niet de bovenkant, maar de drie poortjes die het wegdek moesten afwateren. Een heel klein doeltje dus. We speelden dan met een tennisbal. Daar deed je vaardigheid mee op in de kleine ruimte.
Je had ook jongens die van dit hele gedoe niks begrepen, en gemakzuchtig met hun voeten gespreid voor de put gingen staan, zodat je in elk geval niet kon scoren. De aardigheid was er dan snel vanaf. Zulke jongens werden de volgende keer niet meer toegelaten tot het spelletje.
Het hele gebeuren was rijk aan conflicten trouwens. Om de haverklap was er ruzie over doelpunten die wel of niet geldig waren. En regelmatig kwam de een of andere boze buurman de boel verstoren. Soms probeerde hij de bal af te pakken, maar dat lukte eigenlijk nooit en gaf daarentegen aanleiding tot hilariteit.
De mooiste momenten waren de zondagmiddagen na afloop van een interlandwedstrijd die op de radio was uitgezonden. Je stormde dan vol inspiratie de straat op en trof daar alle jongens in dezelfde bevlogen staat. Daarna ging het er hartstochtelijk aan toe in je nieuwe hoedanigheid van Abe Lenstra of Faas Wilkes…
Dark Horse
