Niet-schakers brengen het denken van schakers soms terug tot de slogan: jullie denken alleen maar aan je rating. Dat wekt lichte wrevel, omdat niet-schakers de schoonheid van het spel niet kennen, en die niet per se willen leren kennen. Ze komen vaak ook niet verder dan de vraag: grootmeesters denken toch veel verder vooruit? Geef dan als mindere god een genuanceerd antwoord (dat hangt van de stelling af of: long variation, wrong variation, enzovoort) en de kans is groot dat het voorgenomen antwoord in hun hoofden ja blijft.
Maar misschien hebben ze gelijk, wat betreft die fixatie op de rating. Een beetje. Welke schaker denkt er niet aan, terwijl hij of zij hardop het tegenovergestelde beweert?
Een rating zegt lang niet alles, en een ratingverschil van – vooruit – vijfitg punten al helemaal niet. Bovendien kan de sterkere speler door onachtzame zetten in een dubieuze stelling terechtkomen. Dan heb je niets aan je voorsprong in elootjes, en moet je op je tanden bijten. Meer niet.
Ik heb me vaak voorgenomen ‘ratingloos’ te spelen, alleen te genieten van de partij, ongeacht de uitslag, of zelfs zoals een boeddhistische monnik zou kunnen doen: ernaar streven elke partij te verliezen na een heroïsche strijd waarin je qua vernuft en durf gelijkwaardig bent aan de tegenstander. Handen schudden, een glas bier drinken aan de bar, enzovoort. Verliezen met voldoening. Dat is mij zelden gelukt. Mijn schaakbrein is zo beperkt in relativeringsvermogen dat het leed van verliezen het echte leed in de wereld doet verbleken. Voor even. (Ik zag twee weken geleden de documentaire Naza en verliet met boze stomheid geslagen de Filmschuur.)
Gelukkig kun je externe wedstrijden (KNSB, NHSB) spelen zonder de speelsterkte van je tegenstander te kennen. Dat speelt wel lekker: onbevreesd en onbevangen. Terugkeer naar een eloloze schaakwereld, zoals voor 1970, zou ik van harte toejuichen. Spelers uit de wereldtop krijgen weer een mythische speelsterkte toegedicht, zoals vroeger Bronstein, Tal en Fischer. En als mindere schaakgod hoef je je tegenstander geen bovennatuurlijk schaaktalent toe te kennen bij een ratingverschil van pak-hem-beet driehonderd punten. Je tegenstander is gewoon een veel sterkere schaker. Punt.
–0–
Goed, de interne competitie deel 2. In de vijfde ronde speelde ik met zwart tegen Keimpe Knijft. Het ratingverschil deed er niet toe, omdat Keimpe een sub-variant van het Scandinavisch speelde die slecht voor zwart uitpakte. Ik volgde een positioneel afzichtelijk idee op van een of andere schaakengine (h7-h6, g7-g5 en f7-f5) dat in een iets andere variant juist wel speelbaar is en zat vlak na de opening met de gebakken peren: een zwak veld op e5 en een onderontwikkelde damevleugel.
Vermakelijk partijtje, door alle fouten van beide kanten. En dan kan ik luidruchtig gaan beweren om dat Scandinavisch maar weer eens in de mottenballen te gooien, feit is dat dit een nogal krakkemikkig zettenreeksje was, eufemistisch gezegd.
–0–
Aad de Bruijn verloor in de eerste twee ronden, van Keimpe Knijft en van Jan Vreeburg. Wedstrijdleider strooide daarna met opbeurende woorden: je kunt nog best clubkampioen worden. Die woorden had Aad in zijn oren geknoopt: veel heeft dat tot nog toe niet geholpen, interessant zijn mijn partijen zeker, maar overtuigend is mijn spel niet. In de 6e ronde trof hij Paul Mathot:
–0–
Ronde zes bracht de ’topper’ Schilthuizen-Vreeburg. Jan experimenteerde met 1.c5, dat hij voor de eerste keer speelde.
Ik schudde Jans hand en dacht later thuis aan een vraag die Margreet Reijntjes in NPO-1-radioprogramma De Perstribune onlangs aan oud-bokser Arnold VanderLyde had gesteld: heb je weleens medelijden gehad met je tegenstander? Nee, natuurlijk niet, antwoordde Arnold ad rem, ik parafraseer: want een bokswedstrijd is een korte wedstrijd tussen twee mannen of vrouwen, meer niet.
Midden in de nacht werd ik wakker, stootte mijn kleine teen aan het bed, ging naar beneden, voor toiletbezoek. Vier uur later werd ik groggy wakker, ging douchen. Na het afdrogen bekeek ik de trap naar mijn slaapkamer. Van onderaf. Overal bloedspetters, ook naast de toiletpot een dikke klodder met een uitsparing voor mijn kleine teen. Onderbroek aan, aankleden, bed opmaken, het onderlaken was besmeurd met een brede rode veeg. Dit was natuurlijk Jans schaak der wrake, dat kon niet anders :)!
Schill